Hi everybody and welcome to a new KNM practice exam. This is already exam 5 which means there are a questions that I made although I have a file with thousands of questions in it. Good luck on this exam.
It's I could say it's an easy exam in terms of questions, but I made it a little bit harder because I put a lot of difficult terms. I would say the wording is about be one and up. But the questions are actually quite simple I would say.
So I make a nice mix. Some of the exams are really difficult questions, really difficult facts to know, but then the language is easy in it. And in this exam, the questions are easy, but the language is a little bit more difficult.
It's exam five. So make sure you also check the other exams. And of course check out the videos where I explain all the theory that you have to know about the KNM exam.
So yes, it's like over three hours because it's a lot of things you have to know but it's divided by topic. So it's a small video each time. So don't worry.
Check those out as well to best prepare you for your KNM exam. So, good luck and die exam starts now. Succes en tot de volgende video.
So, you get 25 seconds to answer. Grab some pen and paper. Write your answers down.
Please pause if you do need more times on those questions and you will get 40 questions. To pass the real exam you need to have at least 28 of those 40 questions correct. And there are eight teams.
And the examen would take 45 minutes. So don't take longer than that. Enjoy en succes.
Je krijgt vijf vragen over het thema geografie en geschiedenis. Vraag 1. Wat is een voorbeeld van rijkdom uit de gouden eeuw die je nu nog kunt zien?
A flats. B grachtenpanden. kerken vraag TW Waarom is de koloniale geschiedenis nu nog een onderwerp van gesprek?
A. Het is niet belangrijk. B.
Het heeft invloed op de samenleving van nu. C. Het is alleen geschiedenis.
Vraag 3. Waarom zijn de deltawerken gebouwd? A.
om een tweede grote overstroming te voorkomen. B om de Afsluitdijk te maken of C om de grote haven van Rotterdam te bouwen. Vraag 4.
Wanneer zie je vaak de Nederlandse vlag hangen? A op Koningsdag en Bevrijdingsdag. B met oud en nieuw.
C elke dag. Vraag 5. Wat gebeurde er met Nederland in de Tweede Wereldoorlog?
A. Het bleef de hele oorlog neutraal. B.
Het werd bezet door Nederland. zee. Het volgt mee aan de Duitse kant.
Bij het thema wonen krijg je niet zoveel vragen. Je krijgt nu drie vragen. Vraag 6.
In Nederland zorgt de gemeente voor passende huisvesting. Wat betekent passende huisvesting? A.
De grootste woning. B de goedkoopste woning. C.
Een woning die hoort bij je situatie en inkomen. Mrag Z. In welke gemeentes is vaak meer woningnood?
A waar grote steden zijn, B waar veel dorpen zijn of C die onderdeel uitmaken van het platteland. Vraag 8. De verhuurder verhoogt de huur zonder reden.
Wat kun je doen? A. Niets.
B. Hulp zoeken bij de huurcommissie. C.
Meteen verhuizen met hulp van de gemeente. Over het thema staatsinrichting en rechtsstaat krijg je vijf vragen. Vraag 9: is huiselijk geweld strafbaar?
A nee. B ja. C soms vraag 10.
Wat hoort bij zelfbeschikking? A. Een gedwongen huwelijk.
B vrije keuze over relaties en lichaam of C familiedruk. Vraag 11. Je wordt geweigerd bij een baan vanwege je geloof.
Wat is dit? A discriminatie, B normaal of C een privékeuze. Ja.
Vraag 12. Met wie deel je persoonsgegevens? A alleen met mensen die het nodig hebben.
B iedereen of C niemand. Vraag 13. Wat staat boven religieuze regels?
A traditie, B de Wet van de staat of C familie. Het thema werken is belangrijk. Je krijgt hier veel vragen over.
Vraag 14. Je krijgt onverwacht meer loon. Wat doe je?
A niets. B dit doorgeven of melden. C vakantie nemen.
Vraag 14. Je krijgt onverwacht meer loon. Vraag 15.
Je krijgt passend werk aangeboden terwijl je een uitkering hebt. Wat moet je doen? A.
Dit weigeren. B. Dit negeren.
C dit accepteren. Vraag 16. Wat gebeurt er meestal met een uitkering bij inschrijving bij de KVK?
A. Het vervalt meestal of wordt lager. B.
Het blijft altijd. Of C. Het wordt hoger.
Vraag 17. Wat doet een werkgever met belastingen en premies? A.
Niets. B. Hij draagt ze af.
C. Hij geeft ze terug. Vraag 18.
Wat is een vast contract? A een tijdelijk contract. B een contract voor onbepaalde tijd.
C werken als zzper. Vraag 18. Vraag 19.
Mag je onderhandelen over arbeidsvoorwaarden? A nee. B ja.
C alleen bij een vast contract. Vraag 19. mag je onderhandelen overraag 20.
Voor wie geldt een cao? A iedereen, Berknemers in die sector of C alleen managers? Vraag 21.
Wat moet je doen als je inkomen verandert en je hebt een uitkering? A de wijzigingen doorgeven. B niets of C wachten.
Over het thema instanties krijg je zeven vragen. Vraag 22. Je weet niet hoe je je digide veilig moet gebruiken.
Wat doe je? A. Vraag hulp bij de gemeente of in een bibliotheek met Oo.
Vraag B. Vraag het je buren of C. Doe niet vraag 23.
Je wil weten of je recht hebt op huurtoeslag. Waar ga je heen? A het UWV, B de belastingdienst C de gemeente Je verhuist en krijgt een kind.
Wat doe je? A. Je hoeft niets te doen.
Het ziekenhuis doet alles. B. Je geeft dit door aan de gemeente.
C. Je schrijft hem alleen in voor een school in de buurt. Vraag 25.
Wie moet een WA verzekering hebben? A motorvoertuigbezitters, B fietsers of C wandelaars. Vraag 26.
Bij wie kun je terecht met klachten? A gemeentelijke ombutsman of de nationale ombutsman, Bitie of CWV. Vraag 27.
Wat doet de GGD? A belastingregelen. B zorgen voor de publieke gezondheid.
C uitkeringen geven. Vraag 28. Welke instantie beheert je persoonsgegevens officieel?
A de bank, BPR via de gemeente of C de werkgever. Over onderwijs en opvoeding krijg je drie vragen. Een vraag 29.
Je kind is 17 en wil stoppen met school zonder diploma. Mag dat? Vraag 30.
Je hebt opvoedingsproblemen thuis. Waar vraag je om hulp? A bij de gemeente of de huisarts.
Bitie of C bij de belastingdienst? Vraag 31. Mag een kind geweigerd worden als ouders geen ouderbijdrage betalen?
A ja, B nee. soms het thema omgang Waarden en normen heeft in dit examen maar drie vragen. Vraag 32.
Wat zeg je vaak als iemand een examen heeft gehaald? A. Sterkte.
B condoleances. C gefeliciteerd. Vraag 33.
Wat kan helpen om sociale contacten op te bouwen? A. Vrijwilligerswerk.
B. Actief lid zijn van een vereniging. C thuisblijven.
D A en B. Vraag 34. Wat wordt er herdacht op 4 mei?
A onafhankelijkheid. B oorlogsslachtoffers. Cingshuis.
En het laatste thema is gezondheid en gezondheidszorg. Je krijgt zes vragen. Vraag 35.
Hoe worden veel zorgkosten geregeld? A alleen op papier, B digitaal of C via de gemeente? Vraag 36.
Valt een bezoek aan de huisarts onder het eigen risico? A ja, B nee. somsag 37.
Wat zit in het basispakket? A huisartenzorg. B zwangerschaps- en geboortezorg.
C geestelijke gezondheidszorg. D. Alle antwoorden zijn goed.
Vraag 38. Wanneer bel je 112? A bij levensbedreigende situaties, Bij verkoudheid, C bij lichte pijn.
Vraag 39. Wat is het consultatiebureau? Voor belastingszaken?
Voor controle en advies over bab's en jonge kinderen of C voor spoedzorg? Vraag 40. Je bent net verhuisd.
Wat is verstandig? A. Wachten tot je pijn hebt.
B een tandart zoeken en je inschrijven. C alleen spoedzor gebruiken. Ja.