Wil je het KNM examen in één keer halen? In deze video leer je over de belangrijkste onderwerpen. Ik geef je typische examenvragen.
Ik geef je slimme tips. En aan het eind van de video beantwoord ik de meest gestelde vragen. [muziek] Hallo allemaal en welkom bij een nieuwe video over Nederland en de Nederlandse taal.
Deze video gaat over het KNM examen. Ik vertel je alles over het examen. Je krijgt tips hoe je het examen kunt halen en ik geef antwoord op veel gestelde vragen.
Allereerst, wat is het KNM examen? KNM betekent kennis van de Nederlandse maatschappij. kennis wat je weet over Nederland en hoe Nederland werkt.
Het examen is een onderdeel van de inburgering. Je leert bij KNM bijvoorbeeld hoe werk in Nederland gaat, hoe de zorg werkt, hoe scholen werken, wat je moet doen bij de gemeente en wat normaal gedrag is in Nederland. Het examen gaat niet dus alleen over taal.
Het gaat vooral over het dagelijks leven in Nederland. Als je KNM examen doet in Nederland is er maar één niveau. Dat niveau ligt rond A2.
Dus voor iedereen is het niveau gelijk. Hoe ziet het KNM examen eruit? Het examen heeft 40 vragen.
Van die 40 vragen moet je er 28 goed hebben om te slagen. Je mag er dus 12 fout hebben. Dat is best wel veel.
Het zijn meer keuzevragen. Je krijgt een vraag en een paar antwoorden en jij moet het goede antwoord kiezen. Er staan plaatjes bij de vragen.
Er staan soms ook plaatjes bij de antwoorden. Deze plaatjes, deze foto's kunnen jou helpen bij het kiezen van het goede antwoord. Je hebt 45 minuten voor de 40 vragen.
Dus je kunt rekenen met ongeveer é minuut per vraag. Veel vragen gaan over situaties uit het dagelijks leven. Bijvoorbeeld je bent ziek, je gaat verhuizen of je zoekt werk.
Ik vertel je straks welke onderwerpen het meest voorkomen in het examen. Er zijn acht thema's en je krijgt vragen over elk thema. De thema's zijn geschiedenis en geografie, wonen, staatsinrichting en rechtsstaat, werk en inkomen, instanties, onderwijs en opvoeding, omgangsvormen, waarden en normen en gezondheid en gezondheidszorg.
Ik zal ook later in de video wat voorbeeldvragen geven bij elk thema. Als je nou meer wilt weten over deze thema's, kijk dan naar mijn uitlegvide's. Over elk thema maakte ik een uitlegvideo.
Er zijn dus acht thema's, maar niet over elk thema komen evenveel vragen. Welke thema's zijn belangrijk in je examen? Ja, dat zijn werk.
Bijvoorbeeld sollicitatie, contract, collega's, ziekmelden, gezondheid, de huisarts, de zorgverzekering, afspraak maken en instanties, gemeente, belastingdienst en digid. Je krijgt de meeste vragen over deze thema's. leer die dus heel goed.
Ik zal nu in elke categorie één voorbeeldvraag behandelen. Daarbij geef ik je tips hoe je kunt kijken naar de vragen en hoe ze misschien makkelijker te beantwoorden zijn. In de categorie geschiedenis en geografie is er een vraag: waar ligt Amsterdam, de hoofdstad van Nederland?
Bij de antwoorden zie je drie kaartjes met provinciamen. Noord-Holland, Utrecht of ZuidHolland. Als je niet weet in welke provincie Amsterdam ligt, maar je weet misschien wel waar op de kaart het ergens ligt, dan kun je al antwoorden antwoord A.
En dat is in de provincie Noord-Holland. Bij wonen kan er een vraag komen over Job en Kelly die een huis willen kopen. Wie kan ze daarbij helpen?
Je hebt drie antwoorden, maar je weet misschien dat het UWV voor uitkeringen zorgt en een uitzendbureau voor banen. Dan moet het dus antwoord B zijn, een makelaar. En een makelaar helpt je bij het zoeken van een huis en het kopen van een huis.
Een voorbeeld vragen in de categorie staatsinrichting en rechtstaat. Sam mag stemmen. Hij heeft kiesrecht.
Hoe heet dit kiesrecht? Actief, passief of verplicht kiesrecht? Nou, in Nederland is het niet verplicht om te stemmen.
Je mag stemmen. Dus antwoord C is niet goed. Dan hebben we nog actief en passief.
Wat is dat actief en passief? Ja, passief is als je niet zoveel doet. Als je niet zelf iets doet.
Dat betekent hier dat mensen op jou mogen stemmen. Dat is passief kiesrecht. Maar actief is als jij zelf iets doet.
En als jij gaat stemmen dan ben je actief. Dus antwoord A is hier goed. Een voorbeeldvraag in de categorie werk en inkomen en die gaat over Maartje.
Maartje krijgt kinderopvangtoeslag. Ze krijgt een nieuwe baan en gaat meer geld verdienen. Wat gebeurt er waarschijnlijk met haar kinderopvangtoeslag?
Waarschijnlijk staat onderstreept. Dus dat is een belangrijk woord. Het is niet zeker, maar wat gaat er mogelijk, zeer mogelijk gebeuren met haar kinderopvang toeslag, met het gebeld wat zij krijgt om haar kind op te vangen.
A het gaat omlaag, B het blijft gelijk. En C, het gaat omhoog. Nou, toeslag is dus geld wat je krijgt.
Als je zelf niet zoveel geld hebt. En als je meer gaat verdienen, heb je dus minder geld nodig wat je krijgt. Dus haar kinderopvangtoeslag gaat waarschijnlijk omlaag.
Antwoord A. Een voorbeeldvraag in het thema instanties. Latia en Tkoen zijn vorige maand gescheiden.
Waar moeten zij dit doorgeven? moeten is hier onderstreept. Dus dit is belangrijk.
Dus het gaat niet om waar ze het allemaal aan kunnen doorgeven. Nee, maar waar moeten ze dit doorgeven? Bij de gemeente, bij de kamer van koophandel of bij het NIBUT?
Nou, veranderingen in je persoonlijke situaties moet je doorgeven bij de gemeente. Als je schij gaat scheiden, als je gaat trouwen, als je gaat verhuizen, als je een baby krijgt, daarvoor ga je naar de gemeente. Antwoord A.
Een voorbeeldvraag over onderwijs en opvoeding. Kan je in Nederland met een VMBO diploma meteen naar de universiteit? Ja, alleen met een verwijzing van de docent of nee.
Als je weet wat VMBO betekent, dan kun je die vraag beantwoorden. V is voorbereiden, Middelbaar, Boeps en Onderwijs. Dus voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs.
bereid voor op het middelbaar beroepsonderwijs, niet op de universiteit. Dus na het VMBO ga je naar het MBO waarschijnlijk. Dus je kunt niet direct naar de universiteit.
Antwoord C is het juiste antwoord. Een voorbeeld vraag in de categorie omgangsvormen, waarden en normen. Welk eten hoort bij oud en nieuw in Nederland?
Bij de antwoorden staan drie foto's. Gebruik die foto's, want je weet misschien niet hoe antwoord A heet, hè. Dat heeft beschuip met muisjes.
Maar je weet misschien wel dat je die krijgt bij de geboorte van een baby. Antwoord C. pepernoten.
Dat eet je bij als het Sinterklaas is. Antwoord B over. Oliebollen.
Die zie je op de foto. Die worden gegeten bij oud en nieuw. En de laatste categorie, gezondheid en gezondheidszorg.
Paul is verhuisd en wil een nieuwe tandarts. Je ziet de tandarts hier op de foto. Wie regelt de nieuwe tandarts voor Paul?
Bedenk dan goed wat in Nederland gewoon is, wat in Nederland gebruikelijk is. Regelt de gemeente de tandarts denkje, de zorgverzekeraar of Paul zelf. Je hebt je eigen verantwoordelijkheid.
Jij moet zoeken naar een dokter of een tandarts als je verhuist. Dus hier is het juiste antwoord. Paul zelf.
Je hebt nu een aantal voorbeeldvragen gekregen, maar je weet ook dat de meeste vragen gaan over werk, instanties en gezondheid. Dus leer die thema's en oefen met die drie thema's in ieder geval, zodat je al hopelijk die 28 vragen goed hebt. Dat was de eerste tip.
De tweede tip is: denk wat is normaal in Nederland? Dus wat is normaal gedrag? Je bent ziek.
Wat doe je? Het antwoord is je meldt je ziek bij je werkgever. Of je verhuist naar een nieuwe woning.
Wat moet je doen? Het antwoord is: je meldt je verhuizing bij de gemeente. Dus probeer op die manier te denken: "Wat is normaal in Nederland?
" Een derde tip is: lees de vraag rustig. Dat klinkt logisch, maar er worden veel fouten gemaakt omdat mensen te snel lezen of omdat ze een woord niet begrijpen en dan paniek krijgen. Lees de vraag twee keer.
Let op belangrijke woorden. Wat zijn de belangrijke woorden in de vraag? Kijk daarna welke antwoorden niet logisch zijn.
Dus welke zijn het niet? Dan blijft er misschien maar één over die logisch is. En kijk goed naar de plaatjes of de foto's die erbij staan.
Zo maak je minder fouten. Bijvoorbeeld de vraag: "In Nederland zijn er verschillende verkiezingen? Is stemmen verplicht in Nederland?
" Als je niet weet wat verkiezingen zijn, kijk dan naar die foto. Dan weet je al wat verkiezingen zijn. En ben je misschien minder onzeker om het goede antwoord op de vraag te vinden?
De volgende tip is leer belangrijke woorden. In het examen komen vaak dezelfde woorden. Bijvoorbeeld werkgever, contract, gemeente, belasting, verzekering, afspraak maken.
Als je deze woorden kent, begrijp je veel meer vragen. Wil jij oefenen met belangrijke woorden? Kijk dan naar mijn woordenschatvide's.
Over elk thema heb ik video's gemaakt waarin je oefent met de belangrijkste woorden. En de laatste tip: oefen met voorbeeldexamens. Doe altijd oefenexamens voordat je het echte examen doet.
Je leert zo hoe de vragen eruitzen, hoeveel tijd je nodig hebt en welke onderwerpen moeilijk zijn. Op de website van Duo staan twee oefenexamens. Die kun je maken.
Wil je iets meer weten? Kijk dan naar mijn video's waarin ik deze twee oefenexamens zelf maak en waarin jij een toelichting krijgt op te antwoorden. Ook maakte ik over elk thema een vragenvideo.
Welke vragen zou je kunnen verwachten in het examen? Test je kennis in deze video's. Vaak gestelde vragen.
De eerste vraag heb ik al beantwoord in deze video. Welk niveau heeft het KNM examen? Het niveau van het KNM examen is rond A2.
Zijn er verschillende KNM examens? Nee, in Nederland is er maar één KNM examen en die moet iedereen afleggen. Die moet inburgeren.
Dan wordt er gevraagd: "Ik ben al een paar keer gezakt. Hoe kan ik me goed voorbereiden? " Veel mensen die zich voorbereiden op het KNM examen hebben genoeg aan mijn video's.
Maar als je het nog lastig vindt en je bent een paar keer gezakt, kun je een boek kopen bijvoorbeeld van kleurrijker. Maak de oefeningen van het boek en kijk daarna naar mijn video's. Controleer je kennis.
Controleer of jij alles goed weet. En dan zou je echt moeten kunnen slagen. Dan de vraag: is er een verschil met de oude KNM examens?
Ja, dat is er. Maar niet heel veel. Er er wordt meer feitelijke kennis gevraagd en niet zozeer je mening of wat is goed om te doen.
Je krijgt foto's en geen filmpjes. Er zijn wat actuele thema's toegevoegd, zoals digitalisering en gelijke rechten. Maar de basiskennis die je moet hebben, die is hetzelfde gebleven.
Dus je kunt rustig naar uitlegvideo's kijken voor 2025. En ook vragen video's die je kennesten kun je gewoon gebruiken. Zijn de vragen uit de oefenexamens en uit mijn video's hetzelfde als in de examens?
Nee, ze zijn niet hetzelfde. Anders zou het makkelijk zijn, maar ze lijken er wel op. Misschien zijn er wel een paar zelf te vragen, maar er zijn dus verschillende vragen in de examens.
Ze zijn niet hetzelfde als u oefenexamens. De laatste vraag: hoe kan ik het examen in één keer halen? Dat is de belangrijkste vraag.
Leer de belangrijkste onderwerpen. Oefen met voorbeeldvragen. Lees de vragen rustig en denk logisch na.
Vergeet niet om je te abonneren op dit kanaal voor meer tips en meer inhoud en meer informatie over inburgering en de Nederlandse taal. Ik wens je heel veel succes met het examen. Tot de volgende video.